Transcriptie 8

Informatie verzoek van Huis Bergh aan de Architect (3 december 1866); vragen/antwoorden 3 en 4

transcriptie 8

Vragen van den Heer Administrateur

3e vraag
Hoeveel vee kan er gehouden worden, wanneer de schuur en stallingen volgens het bestaande plan werkelijk vergroot wordt
hoeveel paarden
hoeveel trekossen
hoeveel runderen
hoeveel koeijen
hoeveel jong vee
hoeveel groote varkens

4e vraag
Hoeveel verhoudt zich de ruimte in de schuurgebouwen, welke in de laatste tijden op Boeijink Boskens te Beest eng vergroot zijn, tot de ruimte van de voorgestelde vergrootingen op Seesink als men Kwaliteit der tot die bouwhoeven hoorende landen daarbij in het oog houdt

Beantwoording door den Architekt A te Wiel

3 Volgens het nieuwe plan is de koestal ruim groot genoeg voor de aanwezige bouwhoeve. Maar de zijde der verkensstallen en paardenstal vereischt de lengte van het gebouw. De verkens stallen met voederruimte en stookplaats vereischt grootelijks deze ruimte, ook de paardenstaal wegens het teelen van een veulen is deze nodig. En vooral de Meststallen zijn wenselijk wegens vruchtbaarheid der bouwhoeve, vooral wenschte den pachter de voorste meststal agter de verkensstallen en van de prieve in gebruik te neemen tot bemesting van het weiland het welk eene gewenschte vruchtbaarheid zoude opleveren.

4 De vergrooting naar het voorgestelde plan komt in verhouding met de Meststallen of mestruimte op de bouwhoeve Hatterink, Tenbeest, Haefs en Geulenkamp. Waarbij den pachter voorsteld op zijne thans beknopte meststallen dat dezelve eene gewenschte vruchtbaarheid opleverd. Maar meststallen dat dezelve eene gewenschte vruchtbaarheid opleverd. Maar zijne onvoldoende en ongeregelde ruimte tot stalling Mestmaking en Mest ter zijnertijd in de stallen berging is van zijde den pachters eene groote belangstelling tot eene vergrooting om als een goeden landbouwer met vrucht zijn bouwhoeve te behandelen.

Azewijn den 3 December 1866.
A. te Wiel.