De ontwikkeling van het bekenstelsel in de Achterhoek

De Achterhoek is een streek in het oosten van Nederland in de provincie Gelderland en beslaat het gebied tussen de IJssel in het westen, de Oude IJssel en het bosgebied Montferland in het zuidwesten, de Duitse grens in het zuidoosten en oosten en de Overijsselse streken Salland en Twente in het noorden. Het is lange tijd een woest en nat gebied geweest. Een groot deel was zeer slecht begaanbaar. Het gebied bestond uit dekzandruggen en vele beken stroomden van oost naar west en voedden een lager gelegen gebied met moeras en veen aan de westzijde van Achterhoek. Op de hoger gelegen gronden kwamen bos en heide voor.

Er was sprake van een slechte waterhuishoudkundige situatie. Sommige gebieden liepen in de winter onder water. De beekoevers waren allemaal laag, nog niet voorzien van dijken en stroomden daarnaast veelal door een zandige en losse bodem. Hierdoor konden de waterlopen sterk meanderen en dit zorgde weer voor een tragere afvoer van het water. Bovendien werd de afvoer nog eens beperkt door de vele waterplanten en tijdelijke aangelegde dammen, die de mensen maakten om de beek over te kunnen steken. Dit alles leidde tot overstroming en opstuwing van het water.

In de periode van 1100 tot 1850 hebben, naast de sterke invloed van de landschappelijke eigenschappen op de ontwikkeling van het bekenstelsel, nog andere behoorlijke veranderingen plaatsgevonden welke zeer ingrijpend zijn geweest. De belangrijkste veroorzakers waren de watermolens. Door de aaneenschakeling van natte gebieden waarvan sommige waren omsloten door hogere zandruggen kon het water op veel plaatsen moeilijk weglopen. De vroegere bewoners maakte hier gebruik van en hebben vanuit deze natte gebieden watergangen gegraven. Het gebied werd met lage dijkjes, zogenaamde vloedarmen, afgesloten en vormde zo een reservoir waaruit water werd betrokken. Met dit water werden de molens in beweging gezet.

Ook kwam het voor dat een van nature ontstane beekloop werd gebruikt om de watermolens aan te drijven. Men groef dan een waterleiding in de richting van de molen. Juist deze methode zorgde ervoor dat soms hele beeklopen verlegd werden. Eigenlijk kwam het erop neer dat een groot deel van het water in de richting van de molen werd geleid en daarna elders in het gebied terechtkwam. Zo verloor een oorspronkelijke beekloop haar functie een werden nieuwe loop geboren.

Behalve voor watermolens werden de waterlopen ook gebruikt voor de aanvoer van het water naar de stads- en burchtgrachten. In een later stadium waren er ook veel graafwerkzaamheden ten behoeve van goede scheepvaartverbindingen voor bijvoorbeeld de turfvaart.Na 1850 hebben er nog zeer veel kleine mutaties plaatsgevonden die vooral gerelateerd zijn aan de ontwatering van natte gronden, teneinde deze bewerkbaar en bewoonbaar te maken.

Landschappelijke eigenschappen
Het Achterhoekse landschap is een cultuurlandschap. De landschapsvorming is een continu proces en is grotendeels het resultaat van menselijk handelen. De oorsprong van het Achterhoekse landschap ligt in de vroegere middeleeuwen. Kleine landbouwgemeenschappen werden toen verspreid in een hoofdzakelijk bebost gebied. Steeds meer bos werd gekapt en ontgonnen. Akkers in zandgebieden werden vruchtbaar gemaakt door heideplaggen met dierlijke mest uit schaapskooien. Met de door de mest doordrenkte heideplaggen werden de bouwlandjes bemest. Door het eeuwenlang opbrengen van heideplaggen met mest werden de bouwlandjes opgehoogd tot boven het oorspronkelijke maaiveld. Deze bouwlandjes worden essen genoemd en hebben een bol oppervlak met steile randen naar de omgeving. Deze essen zijn nog steeds herkenbaar in het landschap.

Op de kaart van W. Blaeuw uit 1640 zijn de gearceerde veen en moerasgebieden goed te zien. Het symbool rechts onder het midden geeft aan dat het Noorden aan de onderzijde ligt. Iets boven het midden ligt Terborg en schuin links naar beneden ligt Varsseveld.